Schuimhapperslied
Schuimhappers zijn, altijd paraat
Van s’morgens vroeg, tot s’avonds laat
Ze zingen soms, maar meestal niet
En als ze het doen, dan zingen ze dit lied
Laat ons nu maar zwerven door het Nijmeegse land
Waar ik eenmaal zal sterven met een glas in me hand
Wij zijn lid van de schuimhappers, en we lopen heel wat af
Als we s’middags weer naar huis toe keren, zijn we allemaal bekaf
s ‘Avonds gaan we lekker stappen, en we maken heel veel gein
Maar om twee uur is het afgelopen omdat we dan bezopen zijn
Oeleboele tamtamtam,
wij zijn lid van de schuimhappersstam.
Vierdaagselied
Wij lopen de Vierdaagse mee
vol levenslust en moed.
Als goede lopers blijven wij,
altijd op goede voet.
Want wij zijn één voor allen
en allen zijn wij één.
Zo willen wij door Neêrland
en door het leven heen.
Zo willen wij door Neêrland
en door het leven heen.
Natuur gaf ons een motor mee
van ‘t allerbeste merk
Gaf ons een hart en longenpaar,
Gezond, gaaf, goed en sterk.
En een paar flinke benen,
een groot geluk op aard’
Wie die niet leert gebruiken
is niet zo’n motor waard.
Wie die niet leert gebruiken
is niet zo’n motor waard.
De nozem en de non
Niemand ter aarde weet hoe het eigenlijk begon
Het droevige verhaal van de nozem en de non
Van de nozem en de non
Vroeg in het voorjaar ontmoetten zij elkaar
Hij keek in haar ogen en toen was de liefde daar
Ja toen was de liefde daar
Sterk is de liefde, tijdelijk althans
De non vergat haar plichten en zelfs haar rozenkrans
Ze vergat haar rozenkrans
Met zijn zonnebril en z’n nauwe pantalon
Verwekte onze nozem de hartstocht van de non
Ja, de hartstocht van de non
‘t Is wel te begrijpen, ‘t gebeurt toch elke dag
De nozem was verloren, toen hij in haar ogen zag
Toen hij in haar ogen zag
Ze liepen in het plantsoen in de prille lentezon
En kussen bij de vleet kreeg de nozem van de non
Kreeg de nozem van de non
Een zekere juffrouw Jansen sloeg hen gade door de ruit
Ze wist niet wat ze zag en haar ogen puilden uit
Ja, haar ogen puilden uit
Een zekere heer Pieterman keek neer van zijn balkon
Hij keek stomverbaasd naar de reacties van de non
De reacties van de non
Leve de liefde, zei Pieterman galant
Maar juffrouw Jansen, die belde naar de krant
Ja, die belde naar de krant
Maar daar dacht één ieder, dat ze het maar verzon
Dus ging ze naar de kapelaan en verklikte daar de non
En verklikte daar de non
Dat, zei de kapelaan, is weer des duivels werk
Zo gauw ik er niet bij ben, belazert hij de kerk
Dan belazert hij de kerk
Dankzij juffrouw Jansen en de kapelaan
Maakte de politie er een einde aan
Ja, er kwam een einde aan
Want ze liepen namelijk zo maar op het gras
En de politie zei dat dat verboden was
Dat ‘t gras verboden was
De non en de nozem die gingen op de bon
Een schop kreeg de nozem, de zenuwen de non
Ja, de zenuwen de non
Niet om het één of ander, maar omdat het niet kon
Eindigde de liefde van de nozem en de non
Van de nozem en de non
Volgens Aristoteles weegt een zoen niet zwaar
Letterlijk uitstekend, figuurlijk zelden waar
Vraag de non er maar eens naar
The wild rover
I’ve been a wild rover for many a year
And I spent all my money on whiskey and beer
And now I’m returning with gold in great store
And I never will play the wild rover no more
Refrein:
And it’s no, nay, never
No nay never no more
Will I play the wild rover
No never no more.
I went to an ale-house I used to frequent
And I told the landlady my money was spent
I asked her for credit, she answered me “Nay
Such a custom as yours I could have any day.”
Refrein
I took from my pocket ten sovereigns bright
And the landlady’s eyes opened wide with delight
She said “I have whiskey and wines of the best
And the words that I spoke sure were only in jest.”
Refrein
I’ll go home to my parents, confess what I’ve done
And I’ll ask them to pardon their prodigal son
And if they caress me as ofttimes before
Sure I never will play the wild rover no more
Refrein
